U bent hierHome / Slaan
Slaan
Cees 't Hooft
A: Het geluid van één klappende hand heeft mij nooit bevallen.
B: Je moet er goede oren voor hebben.
A: Het is alleen een beetje waaien.
B: Blinden zouden het kunnen horen.
A: Als het voor de rest erg stil is.
B: Windstil.
A: Twee klappende handen kan aardig zijn.
B: Als ze tenminste tegen elkaar klappen en niet in je gezicht.
A: Mijn vader sloeg altijd met één hand. Op de bips.
B: Deed hij dat vaak?
A: Zo eens in de maand. Hij zei dat ik er om vroeg.
B: En deed je dat ook?
A: Me dunkt! Een kind dat om slaag vraagt, dient uit de ouderlijke macht ontzet te worden.
B: En moeder?
A: Moeder was nooit boos, moeder was verdrietig.
B: Misschien onbedoeld, maar toch wreed.
A: En je kunt ze er niet op aanspreken.
B: Wellicht later, het huis uit zijnde.
A: Maar dan weten ze weer van niets.
B: Alles vergeten.
A: En ze hebben zo hun best gedaan.
B: Heer, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.
A: Het geluid van géén klappende hand is pas Zen.